Introductie
J.M. Coetzee staat de laatste jaren zozeer in de belangstelling dat het moeilijk is om nog iets nieuws over hem te schrijven. Hij is winnaar van diverse literaire prijzen zoals de Booker Prize - deze heeft hij zelfs tweemaal gekregen – in 1983 voor Life and Times of Michael K. (Wereld en wandel van Michael K.) en in 1999 voor Disgrace, (In ongenade); in 2003 ontving hij de Nobelprijs voor zijn gehele œuvre. Hij is niet alleen bekend vanwege zijn romans, zijn schrijverschap behelst meer, hij schrijft literaire kritieken, hij is een linguïst, een essayist en een autobiografisch schrijver. Zo heeft hij behalve Marcellus Emants’ Een nagelaten bekentenis, (A Posthumous Confession) ook gedichten van Leo Vroman, Sybren Polet, Hans Faverey en Gerrit Achterberg in het Engels vertaald. Naast Afrikaans en Engels beheerst hij het Nederlands goed genoeg om het te kunnen lezen, misschien nog wel beter dan het Afrikaans, maar hij beheerst het Nederlands niet in die mate, dat hij het ook kan spreken. Hoewel Coetzee naar eigen zeggen graag een polyglot zou willen zijn, mist hij daartoe – zo zegt hij zelf – de benodigde vaardigheden.
Hoe dan ook, dit gemis maakt hij op andere gebieden ruimschoots goed. Er zijn enkele voortreffelijke essaybundels van zijn hand verschenen, zoals White Writing: On the Culture of Letters in South Africa (1988), Giving Offense. Essays on Censorship (1996), Stranger Shores, Literary Essays 1986-1999 (2002, herdruk) en Doubling the Point (1992), een bundel bestaande uit interviews met Coetzee, afgewisseld met essays. Over Stranger Shores en Doubling the Point gaat dit artikel.
Biografie
John Maxwell Coetzee is geboren op 9 februari 1940 in Kaapstad als zoon van Zacharias Coetzee en Vera Wehmeyer. Zacharias, zoon van een schapen-boer, is advocaat van beroep. Impressies van zijn jeugd heeft Coetzee beschreven in het autobiografisch getinte Boyhood: Scenes from Provincial Life, in het Nederlands verschenen als Jongensjaren. Scènes uit de provincie (1997). In Youth, (Portret van een jongeman) vervolgt hij zijn herinneringen vanaf het moment dat hij als negentienjarige Zuid Afrika verlaat en de wijde wereld intrekt. Om te beginnen strijkt hij neer in Engeland. Voordat hij zich vanaf het midden van de jaren zestig als schrijver begint te ontwikkelen, beoogt hij een wiskundige carrière. In Londen werkt hij drie jaar bij de IBM als computerprogrammeur. Daarna maakt hij de overstap naar een academische loopbaan en verdiept zich aan de universiteit in linguïstiek en literatuur. In 1963 treedt hij in het huwelijk met Philippa Jubber, in 1966 wordt zijn zoon Nicolas geboren en twee jaar later zijn dochter Gisela. In 1969 promoveert hij – inmiddels verhuisd – aan de Universiteit van Texas op The English Fiction of Samuel Beckett: An Essay in Stylistic Analysis. Tussen 1974 en 1986 verschijnen vijf romans van hem, met een regelmaat van telkens drie jaar. De rode draad in zijn verhalen is het betoog van de protagonist in conflict met macht. Ofschoon Coetzee’s intellectuele banden wereldomvattend zijn, valt er in zijn werk altijd een lokale en nationale tendens te bespeuren. In 1984 krijgt hij een aanstelling als hoogleraar Algemene Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Kaapstad en in 2002 ging hij daar met pensioen. Vervolgens verhuisde hij naar Adelaide (Australië), waar hij een aanstelling kreeg als onderzoeker aan de faculteit Engels van de Universiteit van Adelaide. Op 6 maart 2006 werd hij Australisch staatsburger.
Sociaal gezien komt hij uit een familie zonder dat deze hem bepaalde voor-delen oplevert, geen voordelen bekeken vanuit een blanke middenklasse, geen contacten in Afrikaanse of Engelse kringen. Zijn ouders gingen voortdurend gebukt onder financiële zorgen. Coetzee betaalde zijn eigen studie door allerlei bijbaantjes aan te nemen, al was het alleen maar omdat hij zijn moeder’s opofferingen niet verdroeg. Terugblikkend op zijn jeugd, vindt hij dat hij als kind meer dan genoeg heeft gezien van het Afrikaanse recht en van de wreedheden uit naam van recht begaan. Als student koos hij partij voor links, echter zonder zich persoonlijk te verbinden. Hij voelde sympathie voor linkse opvattingen, maar schuwde de politieke taal die daaraan is verbonden. Mensenmassa’s roepen paniek bij hem op. Opmerkelijk is dat Coetzee bij de verslaggeving over zichzelf spreekt in de derde persoon enkelvoud, waarmee hij een zekere afstandelijkheid ten opzicht van zichzelf creëert “Hij kan niet of zal niet, kan niet en zal niet, zich voegen, schreeuwen, zingen: zijn strot knijpt zich dicht, hij komt in opstand”.
Stranger Shores
Stranger Shores opent met de tekst van de lezing What is a Classic? die Coetzee in 1991 in Graz, Oostenrijk heeft gegeven. In deze lezing verkent hij het antwoord op de vraag die hij zichzelf stelt over het – mogelijke – onvergankelijke aspect van de Classic, een ietwat lastig te vertalen begrip waarbij Coetzee doelt op de ‘klassieker’ onder de literatuur. In deze verkenning leidt hij de toehoorders langs T. S. Eliot, Johann Sebastian Bach en Zbigniew Herbert. Na dit inleidende hoofdstuk doet Coetzee ‘vreemde stranden’ aan. Via de schipbreuk van Defoe’s Robinson Crusoë, langs Clarissa van Richardson, belandt hij aan de Nederlandse kust, besteedt daar ruim aandacht aan Marcellus Emants, Harry Mulisch en Cees Nooteboom, trekt daarna richting binnenland langs Rainer Maria Rilke en Franz Kafka in vertaling en langs Robert Musil’s dagboeken, passeert onderweg soldaat Schweik van Josef Skvorecky en komt vervolgens aan bij Dostojewski en Brodsky. Daarna maakt Coetzee een omweg via Argentinië (Borges) wederom richting Engeland waar hij de vierdelige romancyclus van A.S. Byatt toelicht, hij steekt de oceaan over naar de Carribische eilanden voor een bezoek aan Caryl Phillips, komt in India aan bij Salman Rushdie en reist verder naar Israël voor een ontmoeting met de schrijvers Aharon Appelfeld en Amos Oz. Omdat hij toch in de buurt is, gaat hij langs Naguib Mahfouz in Egypte en stuurt dan uiteindelijk aan op de thuishaven, waarbij hij de schrijvers Daphne Rooke, Nadine Gordimer, Doris Lessing, Breyten Breytenbach, Alan Paton en Helen Suzman aandoet. Hij besluit zijn rondreis bij Noël Mostert aan de grens van de Oost Kaap.
Doubling the Point
De verzameling essays uit Doubling the Point beslaat de periode tussen 1970 en 1990; de essays uit Stranger Shores hadden hier in tijd – 1990-1999 - naadloos op aan kunnen sluiten indien Coetzee dat ene essay over Marcellus Emants uit 1986 er buiten had gelaten. Maar dat heeft hij niet gedaan. Coetzee heeft er voor gekozen om dat ene essay (pp. 34-38) toch in Stranger Shores op te nemen. Het stuk betreft de inleiding die hij heeft geschreven bij zijn vertaling van Een nagelaten bekentenis (1894) in A Posthumous Confession van Emants. Hoewel Emants zeker is beïnvloed door het Naturalisme, getuige zijn interesse voor het seksuele leven van de middenklasse en zijn gebruik van psychopathologische begrippen om menselijke drijfveren te verklaren, verschilt zijn opvatting wel degelijk van de naturalisten: zo is zijn kijk op de toekomst zeer pessimistisch in tegenstelling tot bijvoorbeeld Zola die toch in zijn romans een zeker vertrouwen op betere tijden uitdraagt; ook is Emants meer geïnteresseerd in psychologische processen dan het voor de Naturalisten zo kenmerkende systematische beschrijven van het burgerlijk milieu. Wat Coetzee zeer in Emants heeft gefascineerd, is diens pessimistische visie over de verwachtingen van de mens ten aanzien van het leven. In onze jeugd creëren we een gefantaseerd ideaalbeeld over het zelf dat we willen worden, zo meende Emants. Helaas ontwikkelt ons leven zich niet aan de hand van onze idealen, maar door onbewuste krachten binnen onszelf. Deze krachten dwingen ons tot daden en in deze daden wordt aan ons getoond wie wij werkelijk zijn. De overgang van de gefantaseerde idealen naar het leven zoals het werkelijk is, gaat gepaard met desillusies en pijn. Zulke pijn is het hevigst op het moment dat wij inzien hoe onoverbrugbaar de kloof is tussen het ideaalbeeld en het ware zelf. Emant’s visie is terug te vinden in zijn karakterschets van Willem Termeer, de hoofdpersoon in Een nagelaten bekentenis. Hij is een hulpeloze figuur, rond-dobberend in een zee van passies, angsten en afgunst, terwijl hij zich uit alle macht tevergeefs probeert te ontworstelen aan een confrontatie met het ware zelf dat zijn levensgeschiedenis hem toont: impotent, laf en belachelijk. In deze romanfiguur en diens auteur ziet Coetzee erfgenamen van de ideeën van Rousseau, die als eerste de toon heeft gezet voor de trend van de uitputtende, seculaire biecht, met zijn geëxalteerde uitroep dat het hoegenaamd onmogelijk is geheimen voor zichzelf te houden. Op deze wijze heeft Rousseau geprobeerd door het propageren van de biecht als bekentenis, voor zichzelf een monument op te richten, om zo een waardeloos leven in kunst om te zetten. Coetzee verwijt Emants dat hij onder het mom van wetenschappelijke doeleinden zijn particuliere interesse in de psychopathologie trachtte te verbloemen. Coetzee is de laatste om te ontkennen dat kunstenaars ons net zoveel kunnen leren over ons innerlijk leven als de psychologen dat doen. Hij vraagt zich echter af of de motieven van de kunstenaar wel zo helder en onbewogen zijn als Emants hem wil doen geloven. Hier ziet hij de auteur onlosmakelijk verbonden met zijn protagonist, die zijn basismetaal wil transformeren in goud. Meer fiducie heeft Coetzee in Dostojewski die over hetzelfde thema heeft geschreven in Aantekeningen uit het ondergrondse. Het grote verschil Emants en Dostojewski is dat de laatste, behept met diepere inzichten in de motieven achter de biecht, gewoon doorging met schrijven en nog enkele juweeltjes van zijn hand liet verschijnen zoals bijvoorbeeld De idioot en op professionele wijze de pretenties van Rousseau om zeep hielp. De minder briljante Emants daarentegen is naar de overtuiging van Coetzee blijven steken in de valstrikken van Rousseau.
In Doubling the Point zijn de essays thematisch gerangschikt, ze betreffen schrijvers zoals Beckett, Kafka en Musil, maar ook autobiografische teksten van Rousseau, Tolstoi en Dostojewski, de dichter Achterberg, de populaire cultuur van rugby, Zuid-Afrikaanse schrijvers en censuur. De tussen 1970 en 1990 geschreven stukken vormen voor Coetzee aanzetten tot reflectie, deze inzichten zijn uitgewerkt in de interviews. Coetzee’s schrijven over literatuur, retorica, populaire cultuur en censuur kunnen beschouwd worden als zijn persoonlijke bakens: tezamen vormen zij een retrospectief. De diverse onderwerpen worden ingeleid aan de hand van een interview met Coetzee, waarin deze nadenkt over en terugkijkt op het desbetreffende essay – doubling back – waarbij hij tevens probeert na te gaan wat er terecht is gekomen van de doelen die hij nastreefde. Coetzee is niet alleen met de interviewer in gesprek, maar ook met de schrijver die hij was op het moment dat hij de essays schreef – en in dit opzicht valt het werk te beschouwen als een autobiografie en is daarom nog de moeite waard haar aan een nadere beschouwing te onderwerpen.
Zo langzamerhand is Coetzee’s aversie tegen interviews alom bekend, maar blijkbaar heeft hij zich kunnen vinden in de wijze waarop de interviews uit deze bundel tot stand zijn gekomen. Doubling the Point is ontstaan in een periode van twee jaar en binnen dat tijdsbestek heeft Coetzee alle tijd gekregen – misschien beter gezegd: genomen – om op weloverwogen wijze zijn antwoorden te wikken en te wegen. Normaliter ziet hij een interview als een uitwisseling met een totale vreemde, die zich het recht heeft toegeëigend vanwege zekere conventies van het genre de grenzen in de conversatie te overschrijden. Coetzee beschouwt zichzelf allerminst als een publieke figuur, hij verafschuwt de inbreuk op eigendom, om nog maar niet te spreken over inbreuk op iemands privacy, iets wat naar zijn overtuiging regelmatig voorkomt in de doorsnee interviews. Vaak ergert hij zich ook aan een gebrek aan professionaliteit van de kant van de interviewer. Los van deze irritaties voelt Coetzee bovendien een sterke behoefte de controle over het interview in eigen hand te houden. Schrijven vindt hij geen bezigheid die verward kan worden met vrije expressie. Dialogisch ‘opereren’ betekent voor hem het wakker maken van de tegenstemmen in zichzelf en het zich inlaten in een gesprek met deze tegenstemmen. De kwaliteit van een schrijver valt af te meten aan de mate waarin hij daartoe in staat is, terwijl interviewers iets heel anders willen: zij willen een stroom van woorden. Deze woordenstroom schrijven ze op, censureren passages en schrappen net zolang tot dat wat overblijft voldoet aan een in een monoloog gegoten ideaalbeeld. Er bestaan twee soorten interviews, zegt Coetzee: het eerste is een beleefde versie van het rechtbankverhoor; het tweede is een door de interviewer afgenomen biecht, waarbij de geïnterviewde waarheden over zichzelf dient te ontdekken waarvan hij zich nog niet bewust was.
Waarheid
Voor Coetzee echter is waarheid gerelateerd aan stilte, aan reflectie over de praktijk van het schrijven. Het spreken is geen waterval van woorden van waarheid, het is eerder een afgezwakte en geïmproviseerde versie van het schrijven. De interviewer probeert de geïnterviewde te overrompelen via een verrassingstechniek die hij als een degen vermomt en waarmee hij het lichaam van de geïnterviewde beschadigt en zelfs penetreert. Deze techniek ziet Coetzee niet als de meest succesvolle manier om de waarheid boven water te krijgen, indien dat al mogelijk mocht zijn.
Coetzee behandelt het thema omtrent de autobiografische waarheid en de hieraan grenzende aspecten van de biecht in zijn essays over Tolstoi, Rousseau en Dostojewski. Er zijn volgens hem twee soorten van waarheid: ten eerste de feitelijke waarheid en ten tweede de waarheid die zich achter de feiten verschuilt. (…) “je schrijft omdat je niet weet wat het is dat je wilt zeggen. Al schrijvende ontdek je dat. Het schrijven gebruikt jou, het creëert wat ons verlangen – precies een moment daarvoor – was”. Het schrijven houdt een samenspel in tussen een stap naar de toekomst en een weerstand daartegen. De teneur van woorden roept weer andere woorden op, evenals het automatisme van de taal om in patronen te vallen die zichzelf blijven voortplanten. Coetzee legt uit dat uit dit samenspel iets kan ontstaan dat te herkennen valt als het ware. Voor hem is waarheid iets dat tijdens het schrijfproces ontstaat.
Zelf vindt hij – op zijn vijftigste – dat hij voor zijn dertigste geen proza van belang heeft geschreven. Nu heeft hij daar begrip en verklaringen voor, destijds kon hij dat minder goed relativeren: hij beschouwde zichzelf onbarmhartig als een verrader, ontrouw aan zichzelf door niet te schrijven. Zijn onvermogen van toen om iets substantieels te schrijven verklaart hij uit een gevoel van walging dat hij had voor het aanschouwen van het lege papier, voor het schrijven zonder overtuiging, het ontbreken van een verlangen. Hij voelde haarscherp aan dat wanneer hij eenmaal zou beginnen met schrijven, dat hij dan nooit meer zou kunnen stoppen of hij het nou leuk vond of niet, hij zou dan door moeten gaan tot het einde: net zoals je bij een executie het slachtoffer niet kunt laten bungelen terwijl er nog leven in zit en je ook moet doorgaan tot het einde. Zelf zegt hij hierover: “Spaarzaam proza en een spaarzame, zuinige wereld: het is een onaantrekkelijk deel van mijn make-up dat de mensen die hun leven met mij deelden, irriteerde.”
Gaandeweg ontdekte Coetzee dat het verre van productief is om een antwoord te zoeken op de vraag waarom iemand een verlangen koestert: het antwoord bedreigt het einde van het verlangen. Hij ziet zijn proza als hard en droog, maar niettemin met een zekere hang naar een gevoelige uitweiding, die hij vergelijkt met een laat-Romantische symfonie.
Coetzee ziet zichzelf als een langzaam en moeizaam denker: (…) “mijn denken is in verwarring en in hulpeloosheid geworpen vanwege al het lijden in de wereld en niet alleen het menselijk lijden”. Hierin valt al een aanzet te ontdekken naar zijn verhalen The lives of animals, vertaald in Dierenleven (2001) en The Problem of Evil (2002) waarin hij de protagonist Elizabeth Costello haar mening over het lijden van dier en mens ten beste laat geven. Foucault ligt als een schaduw over zijn stukken betreffende de censuur. “Als ik terugkijk op mijn fictie dan zie ik een eenvoudige norm: die van het lichaam. Het lichaam bestaat, het bewijs hiervoor wordt geleverd omdat het pijn voelt.”
Tolstoi, Rousseau en Dostojewski
Wanneer Coetzee desgevraagd door Atwell aan het einde van de interviews in Doubling the Point terugkijkt op de twintig jaar daarvoor, de periode van 1970 tot 1990, dan ziet hij zijn essay over Tolstoi, Rousseau en Dostojewski uit 1983 als een duidelijke markering in zijn schrijverscarrière. Door de jaren heen heeft Coetzee altijd de kracht van Tolstoi en Dostojewski om zowel de waarheid te vertellen als het seculaire scepticisme over de waarheid te ontwrichten, bewonderd. Het schrijven van een autobiografie is eenvoudigweg het vertellen van een verhaal, net zo goed als het omgekeerde, dat al het schrijven autobiografisch is, een waarheid bevat. In het essay over deze drie schrijvers zag hij zichzelf geconfronteerd met de opdracht na te gaan hoe de waarheid in een autobiografie wordt verteld; bovendien ziet hij bij zichzelf in de tijd vóór dat hij dit essay schreef een zekere absoluutheid in het verhaal dat hij over zichzelf vertelt; na het schrijven van dit essay wordt deze absoluutheid veel minder stellig. Wat gebeurde er dan in dat essay? En dan blijkt eens te meer hoezeer Coetzee het nodig heeft om de ruimte te krijgen een antwoord naar de oppervlakte van zijn bewustzijn te halen. Hij legt uit wat er tijdens het schrijven van het essay gebeurde: er vond een dialoog plaats tussen twee personen: de een iemand die Coetzee wenste te zijn; de ander meer een schaduw, zoals hij toen werkelijk was. Het debat tussen deze twee personen betrof de waarheid in de autobiografie. De werkelijke Coetzee koos voor de meer extreme versie: er is geen ultieme waarheid over jezelf, je kunt het ook niet bereiken, wat wij waarheid noemen is slechts een verheffende zelfherwaardering waarvan de functie is het zich goed voelen, of zo goed mogelijk. Het schrijven van een autobiografie wordt gedomineerd door eigenbelang. Op een abstracte manier kan iemand zich bewust zijn van dat eigenbelang, maar uiteindelijk is het niet mogelijk dit niet geheel in kaart te brengen. De enige zekere waarheid in de autobiografie is dat iemand’s eigenbelang gericht zal zijn op de eigen blinde vlek.
Vreemdeling
Als hij zelf een reactie moet geven op de persoon die hij was, dan ziet hij dit: in de eerste helft (1972-1982) een blanke man, Zuid-Afrikaan, een schrijver zonder autoriteit. Als individu voelde hij zich op filosofisch niveau niet betrokken. Als adolescent meent hij dat hij een wetenschappelijke carrière in de wiskunde ambieert – hij gaat daarom wiskunde studeren – hoewel zijn talenten in deze richting bescheiden zijn. Zijn gehele leven is hij niet geïnteresseerd in zijn omgeving, niet fysiek, noch sociaal. Hij leeft daar waar hij zich bevindt, volkomen naar binnen gekeerd. Op 21-jarige leeftijd verlaat hij Zuid-Afrika en vertrekt naar Engeland. Daar verruilt hij in het midden van de jaren zestig de computers voor een academisch leven: bestudering van de literatuur. Hij voelt zich niet thuis in Engeland en ook niet in de Verenigde Staten waar hij in Texas terechtkomt, maar hij heeft geen heimwee naar Zuid-Afrika. Hij voelt zich overal een vreemdeling.
In de tijd dat hij zijn derde roman Waiting for the Barbarians (1980), in het Nederlands Wachten op de barbaren (1983) publiceert, begint er een bredere filosofisch besef bij hem te ontstaan. In de roman stelt hij de vraag waarom iemand de kant van het recht kiest, terwijl het niet in zijn persoonlijk belang is om dat te doen. De hoofdpersoon, de magistraat, antwoordt als volgt: “omdat wij geboren zijn met het idee van rechtvaardigheid.” Hiervan afgeleid kan de vraag gesteld worden: “waarom zou ik geïnteresseerd zijn in de waarheid over mijzelf wanneer deze waarheid niet in mijn eigenbelang hoeft te zijn?” De auteur Coetzee antwoordt: “omdat wij geboren zijn met een idee van de waarheid.”
Op deze wijze geconstrueerd, zoals in Doubling the Point zou Coetzee nog wel een interview willen geven. Het is echter de vraag of dat wat er overblijft nog wel een authentiek interview te noemen is. Coetzee heeft de interviews zelf gemaakt, hij heeft daar een tijdspanne van twee jaar voor genomen. Coetzee creëert als het ware het verhaal over zichzelf, en daarin zie ik een overeenkomst met de autobiografie, waarin de auteur ook een zodanig plaatje construeert, zoals hij wil dat het publiek hem leest. Vervolgens blijft de kwestie omtrent het waarheidsgehalte van de autobiografie een onbesliste, overgelaten aan het vertrouwen dat het publiek stelt in de schrijver Coetzee.
Wat Coetzee oproept bij de lezer is een verlangen om nu dan toch eindelijk eens iets van Byatt te gaan lezen, of van Amos Oz, of de dagboeken van Musil, de auto-biografie van Joseph Frank over Dostojewski, , Richardson’s klassieker Clarissa, of waarom niet –- Marcellus Emants. Het essay over Emants is een van de weinige stukken waarin Coetzee duidelijk en redelijk absoluut een vonnis uitspreekt.
Uiteindelijk blijkt weer eens temeer dat schrijven een hoog autobiografisch gehalte kent…
