Het Sublieme
De sublieme ervaring begint met gevoelens van schrik en vrees voor het onbekende. Je weet dat er iets vreselijks in beeld gaat komen, bij voorbaat zet je je schrap. Denk bijvoorbeeld aan de eerste keer dat je The Elephant Man zag, met John Hurt als de mismaakte, ongelukkige hoofdpersoon. Of die keer dat je op de kermis achter het gordijn, na het betalen van een hoge toegangsprijs de dame met de baard mocht aanschouwen. Zo herinner ik mij nog levendig dat ik als kind van tien of elf een keer op zaterdagavond mocht opblijven om naar de klokkenluider van de Notre-Dame te kijken. Dat was niet de Disney-versie, maar een heuse zwart-wit film, met echte mensen en met Orson Welles in de hoofdrol. Men had mij van tevoren gewaarschuwd: ik zou een zwaar gehandicapte, lelijke mens gaan zien, met een afgrijselijk gezicht en een gebocheld figuur. Daarbij moest ik goed onthouden dat het heus niet eng was, want het was maar een film, het was nep. Toen de film begon, klopte het hart mij in de keel. Bijna durfde ik niet naar het televisiescherm te zien, maar het moest, want anderzijds was ik toch ook wel nieuwsgierig. Een huiveringwekkende ervaring en ach, wat viel het mee toen de gebochelde in beeld kwam. Die pathetische, zielige figuur, was die nou zo eng? In mijn fantasie was het vele malen griezeliger geweest. Niettemin kan dit geen ervaring van het sublieme genoemd worden, eerder was het een ervaren van etwas unheimliches. Want hoewel ik de klokkenluider bij bestudering helemaal niet eng meer vond, kon ik zijn schoonheid toch niet ontdekken. Zo ook met de Elephant Man, een deerniswekkende figuur, maar geen mooie mens, niet schoon in zijn lelijkheid. Daarom ben ik van mening dat een sublieme ervaring alleen weg te halen valt in een natuurverschijnsel of in de kunst.
Zoals een vulkaankrater kan fascineren, want stel dat er net – onverwachts – een uitbarsting komt precies op het moment jij over de rand de diepte in staat te turen, dat is toch wel spannend — en tegelijk zou een uitbarsting prachtig en imposant zijn. Of denk aan een dreigend onweer, met grote donkergrijze wolken, dat vanuit de verte jouw kant opkomt snellen, met felle bliksems en daverende donderslagen , en je staat ondertussen helemaal alleen op een grote, eenzame vlakte het geweld af te wachten. Griezelig en tegelijk: wonderschoon.
In de schilderkunst zijn het voor mij de werken van Egon Schiele die een sublieme ervaring kunnen oproepen, telkens en telkens weer. Hij schilderde de mensen zo lelijk, met scherpe lijnen, vertrokken gezichten, hoekig en mager, in giftige kleuren. Hun naaktheid zo afstotend en schaamteloos. Eigenlijk moet je jezelf dwingen om te kijken, je wilt eerder wegkijken. Maar, als de eerste schrik en weerstand voorbij is en je jezelf de tijd gunt om kalm te worden, om daarna rustiger te kijken, dan valt het je op hoe de lijnen de kwetsbaarheid van de afgebeelde figuur onthullen, hoe mooi de figuren eigenlijk zijn in hun lelijkheid. Hoe genadeloos en eerlijk laat Schiele ons dat zien, en hoe confronterend. Hoe knap dat een kunstenaar dat voor elkaar kan krijgen,
Dat hij je schokt en ongemakkelijk doet voelen en een indruk bij je achterlaat die je op je schouder mee naar huis neemt en waar je nog dagen daarna mee bezig bent. Dat is voor mij een ervaren van het sublieme. Dan heeft de lelijkheid en gruwelijkheid zich als het ware ‘veresthetiseerd’. Je bent geraakt: na de afschrikwekkende en huiveringwekkende confrontatie is de belevenis veranderd in een – verslavende – ervaring van iets wonderschoons.
