Het allereerste filosofiecollege herinner ik mij nog goed. Allemachtig, wat zijn er veel studenten aanwezig. Rij na rij, schouder aan schouder. Men noteert ijverig. Moet je dat allemaal opschrijven, wat de docent-doctor vertelt? Zou ik dat tempo wel bij kunnen houden… en al die ingewikkelde zinnen… Ik ben geïmponeerd en opgetogen.
In de pauze voeg ik me nieuwsgierig in de kring bewonderaars rond de wijsgeer. Hij kijkt mij vriendelijk en afwachtend aan. Maar ik zeg niets, ik kijk wel uit. Een eerstejaars weet toch nog niks.
We lezen teksten van Plato, Aristoteles en Thomas van Aquino. Vervolgens maken we kennis met Descartes, Hume, de beroemde Kant – en Hegel. We krijgen een indruk van de Indische Wijsbegeerte, de Chinese en de Japanse filosofie. En we bestuderen teksten van Nietzsche en Heidegger.
Bij de module Logica tracht men ons de kunst van het zuiver redeneren bij te brengen. Enig wiskundig inzicht vergemakkelijkt het begrip van dit soort filosofische problemen. Jammer genoeg mis ik die aanleg maar ik sla me er doorheen.
Metafysica biedt ons een blik op een wereld die bestaat los van de mens. Dat kan niet, meent Kant, zo’n wereld bestaat niet. De wereld gedraagt zich immers zoals de mens haar oplegt zich te gedragen. Ik ben verrukt.
Wat ik ook leuk vind, is euthanasie. Ik bedoel in de colleges ‘Inleiding in de ethiek’. Er staan in het bijbehorende leerboek interessante casussen. Heel praktijkgericht, daar houd ik wel van. En steeds maar weer blijkt dat een probleem vele kanten heeft en dat er geen eenduidige oplossingen bestaan.
Als ik mij voor taalfilosofie moet verdiepen in zeven verschillende filosofische benaderingen van het begrip ‘betekenis’, gevolgd door twee centrale onderwerpen die elk gerelateerd zijn aan de filosofische discussie over de betekenis – communicatief handelen en intentionaliteit – en de status van regels, ben ik iets minder enthousiast.
Kentheorie spreekt mij meer aan. We onderzoeken wat het verband is tussen kennis en geloof en wereld. Allerlei filosofen komen voorbij met hun eigen -ismes. We lezen Descartes met zijn rationalisme, Kant en het idealisme, over het holisme van Quine en Rorty de pragmatist. Dat Kripke’s houten tafel niet van ijs is gemaakt, hebben we bij kentheorie geleerd.
Tussen de bedrijven door lees ik Kierkegaard, vader van het existentialisme. Hij kon zo overtuigend lijden en twijfelen aan alles…Voor Kierkegaard is elke mens uniek, hij vraagt zich af wat de betekenis is van het individu.
Verder kom ik Karl Jaspers tegen die voor een groot deel meegaat met Kierkegaard. Behalve filosoof was Jaspers ook psychiater, dus niet de eerste de beste. Hij stelt dat de mens pas tot zelfrealisatie komt in grenssituaties (lijden, schuld, strijd en dood). In zijn mislukken wordt de ware mens geboren.
Ik wist het wel, ik ben niet voor niets filosofie gaan studeren. Ik voel mij als een klant bij de banketbakker. In de vitrine liggen de meest exquise taartjes. Ik mag kiezen.
